Sociale Werkplaatsen zijn ontstaan vanuit een sociale noodzaak in de welzijnssector. Diverse hulpverleningsinstanties en instanties uit de socio-culturele sector kregen immers te maken met de problematiek van mensen die omwille van specifieke redenen (drankproblemen, echtscheiding, dakloosheid, analfabetisme, etc.) moeilijk aan een job raakten. In de zoektocht naar een zinvolle dagbesteding werden allerlei projecten opgestart die werk verschaften aan deze specifieke groep van mensen.
Bij aanvang was er voor de Sociale Werkplaatsen geen structurele financiering voorzien. Deze projecten hadden dan ook alle moeite zich te handhaven binnen de bestaande regelgevingen en subsidiesystemen.
Een aantal werkplaatsen namen contact op met elkaar en richtten het Samenwerkingsverband Sociale Tewerkstelling op. SST kreeg bij haar oprichting op 3 maart 1988 dan ook de belangrijke taak te zoeken naar een structurele subsidiëring op maat van de Sociale Werkplaatsen.
In 1994 werkte de Vlaamse regering een experimentele regelgeving uit, wat in 1998 leidde tot het decreet op de Sociale Werkplaatsen.
De werknemers van Sociale Werkplaatsen werden tewerkgesteld met een contract van onbepaalde duur en kregen het minimumloon uitbetaald. Op die manier werd de sector geconfronteerd met sociale inspectie en regelgeving. SST kreeg er een opdracht bij en nam het werkgeverschap op voor deze sector binnen het Paritair Comité 327.
Onder druk van de regelgeving heeft zich in het werkveld een herstructurering doorgezet en is er een nieuwe werkvorm ontstaan. Mensen die eerder tewerkgesteld waren in een sociale werkplaats pasten niet meer in de nieuwe doelgroepomschrijving. Anderen hadden een te laag rendement waardoor zelfs een job in de Sociale Werkplaats niet haalbaar was. Zij werden daarom opgevangen in ‘arbeidszorgprojecten’. SST ijvert ook hier voor een degelijke uitbouw van de werkvorm en een structurele financiering.